Skip Ribbon Commands
Skip to main content

Quick Launch

SEH > Blog
april 23
Nederland schiet in kramp bij een crisis

Door het onvermogen om creatieve oplossingen te formuleren, verergerde Nederland de crises in de vorige eeuw. Eerdere crises laten steeds starheid en conservatieve reflexen zien. Opnieuw valt het ergste te vrezen, denkt de economisch geschiedkundige Jan Luiten van Zanden.

Het is crisis. Of we het nu recessie noemen, of een lange recessie, of toch maar het d-woord - van depressie: we zitten in periode die veel aan de jaren dertig doet denken. Die depressie liep helemaal uit de hand doordat landen zich isoleerden, hun eigen koers gingen varen, en zich niets meer aantrokken van internationale spelregels. Het internationale economisch systeem viel daardoor uit elkaar, en kleine landen als Nederland werden daar enorm door getroffen.

In Nederland duurde die depressie zelfs langer dan elders. Terwijl men in Engeland, Duitsland of de VS al vanaf 1933 de weg naar boven wist te vinden, bleef de Nederlandse politiek steken in een conservatieve reflex. Een sluitende begroting (meer schijn dan werkelijkheid overigens) en het vasthouden aan de gouden standaard bepaalden in ons land het beleid. Daardoor eindigde de depressie hier pas in 1936 - toen eindelijk het goud werd losgelaten, overigens nog steeds zeer tegen de zin van premier Hendrik Colijn (ARP).

Crisisperioden als de jaren dertig, of meer recent, de jaren 1973-1982, betekenen dat er een eind gekomen is aan een bepaalde ontwikkelingsfase van de wereldeconomie. De jaren dertig markeerden het failliet van het ongebreidelde kapitalisme - het pure marktdenken - dat vanaf de negentiende eeuw het economisch beleid had gedomineerd. Nieuwe oplossingen moesten ontwikkeld worden om hier een uitweg uit te vinden. De New Deal van de Amerikaanse president Roosevelt is daarvan het beste voorbeeld, maar in de jaren zelf was er minstens zoveel aandacht voor andere alternatieven: de vijfjarenplannen van de Soviet-Unie met hun nadruk op geforceerde industrialisatie, de vierjarenplannen van de nazi's - bekend van de Autobahnen en de Volkswagen - of het linkse experiment dat de Franse regering Blum ontwikkelde. Vergeleken met dit brede scala aan min of meer creatieve antwoorden op de depressie, valt de starheid van de Nederlandse politiek des te meer op.

Hier kwam alleen de sociaal-democratie met nieuwe ideeën, zoals het in 1935 gelanceerde Plan van de Arbeid, geschreven door onder meer de latere Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen, en geïnspireerd op de ideeën van de Britse econoom Keynes. Maar Colijn en andere leidende politici zagen er niets in. Pas later, na 1945, zouden deze ideeën min of meer gemeengoed worden in de Nederlandse politiek.

Dit onvermogen om de bakens te verzetten en creatieve oplossingen te formuleren, doet ook denken aan de jaren zeventig en tachtig, toen de economie ook in zwaar weer terecht kwam. De oorzaken waren toen heel anders: interne problemen - inflatie, toenemende loonkosten, geringe rentabiliteit van het bedrijfsleven, een hoge lastendruk - bepaalden toen veel meer dan nu het beeld. Maar ook toen slaagde de politiek - de kabinetten Den Uyl en Van Agt-Wiegel - er nauwelijks in om de bakens te verzetten. Ook toen overheerste initieel de impuls om terug te grijpen op aloude recepten, die toen uit de koker van Keynes kwamen.

Maar omdat de economie zoveel interne zwakheden had, was juist de keynesiaanse benadering toen ongeschikt om de problemen op te lossen: nog meer overheidsuitgaven verergerden inflatie en begrotingsproblemen alleen maar. Pas met het aantreden van het eerste kabinet Lubbers in 1982, en het akkoord van Wassenaar van datzelfde jaar, werd de omslag naar een nieuwe benadering van de crisis gevonden.

De Nederlandse politiek is dus niet erg goed in depressiemanagement. Beide keren duurde het lang voordat men de vertrouwde recepten afzwoer, en doorhad dat de crisis op een nieuwe manier bedwongen moest worden. In de jaren dertig keerde men naar rechts - maar was Keynes vermoedelijk het 'democratisch alternatief'. In de jaren zeventig vertrouwde men nog te veel op Keynes, en was een zwenking naar rechts - naar de aanbodeconomie van Reagan bijvoorbeeld - op den duur noodzakelijk. In beide gevallen verergerde deze conservatieve reflex de crisis - in de jaren dertig vermoedelijk nog meer dan in de jaren zeventig.

De kern van het probleem is dat men over de eigen schaduw heen moet springen: bereid moet zijn zorgvuldig te analyseren wat de onderliggende problemen zijn, en een idee moet hebben welke richting de wereldeconomie op zal gaan. Een depressie, ook zoals we nu meemaken, lijkt steeds samen te gaan met een trendbreuk, en het vermogen daarop te anticiperen bepaalt in hoge mate het langetermijnsucces van het crisismanagement.

Het is niet goed afgelopen met de twee centrale figuren van het crisismanagement van de jaren dertig en zeventig. Colijn won als sterke man in het begin veel aan gezag, maar raakte, naarmate de depressie langer duurde, steeds meer in een isolement. Hij werd op den duur het symbool van alles wat er fout ging in deze magere jaren. Premier Den Uyl (PvdA) overkwam exact hetzelfde: in eerste instantie dwong zijn omgang met de oliecrisis veel respect af - wie herinnert zich niet de autoloze zondagen en zijn legendarische televisietoespraak bij het uitbreken van de oliecrisis? Maar, het hoeft nauwelijks opgemerkt te worden, de geschiedenis is niet aardig voor hem geweest, en hij werd op dezelfde manier het symbool voor alles wat er fout was gegaan na 1973.

Minister Bos (Financiën, PvdA) en premier Balkenende (CDA) hebben, met de redding van de grote banken, ook hun 'finest hour' gehad, waarin het hele land zich even achter deze sterke leiders schaarde. Als ze zich nu gaan terugtrekken op een ferm bezuinigingsbeleid om de Haagse begroting in balans te houden, dan valt opnieuw het ergste te vrezen.

* Dit artikel verscheen eerder in NRC Handelsblad van 19 februari 2009.

Jan Luiten van Zanden is hoogleraar Economische Geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht.

oktober 22
Wel een crisis, maar nu geen oorlogstrauma!

Ook de financiële crisis van 1929-1931 begon in de VS, om vervolgens over te slaan naar Europa. Maar anders dan toen werken landen nu wel samen, schrijft Jan Luiten van Zanden.

Het is onvermijdelijk dat de kredietcrisis vergeleken wordt met voorgaande crisisperioden. Het enige echte vergelijkingsmateriaal dat we eigenlijk hebben, is de crisis van 1929-1931. Ook toen was er sprake van een sterke toename van het wantrouwen in het bankwezen en in het financiële systeem in het algemeen, wat leidde tot een run op banken en spectaculaire bankfaillissementen die het hele systeem verder ondermijnden.

Ook toen begonnen de problemen in de Verenigde Staten, met de oktoberkrach op Wall Street, en sloegen die problemen al snel over naar Europa, waar vooral Duitsland en Oostenrijk zwaar werden getroffen. En ook toen was de positie van de Nederlandse economie aanvankelijk sterk: er was hier geen financiële paniek, misschien omdat we in het begin van de jaren twintig al een bankcrisis gehad hadden. De reële economie ontwikkelde zich zelfs tamelijk gunstig in 1929-1930. En ik zou bijna schrijven, ook toen schaarde het volk zich achter een sterke man – Hendrikus Colijn – maar dat zou niet aardig zijn voor Wouter Bos.

Wat ging er vervolgens fout?

De cruciale ontwikkelingen die van een ‘gewone’ crisis op Wall Street een langdurige depressie maakten, deden zich in 1930 en vooral in 1931 voor. In de Verenigde Staten werd veel gespeculeerd met geleend geld, en de krach op Wall Street betekende dat beleggers en handelaren al heel snel in de problemen raakten. Het epicentrum van de neerwaartse beweging ligt nu eerder op de huizenmarkt dan op de aandelenmarkt.

Door de problemen van handelaren en beleggers raakten in de loop van 1930 en 1931 ook steeds meer Amerikaanse banken in betalingsproblemen, en de Federal Reserve Bank deed niet veel om hen te hulp te schieten. Dit bracht op den duur een verdere neerwaartse beweging op de beurs op gang. Bovendien trokken Amerikaanse beleggers massaal hun geld terug uit de rest van de wereldeconomie – vooral Duitsland was daar sterk afhankelijk van geworden. Dit leidde in de zomer van 1931 tot het fameuze faillissement van de Credit Anstalt, de grootste Oostenrijkse bank, direct gevolgd door een golf faillissementen in Duitsland. Dit land moest vervolgens de betalingen op de grote buitenlandse schuld opschorten. Het Britse pond kwam vervolgens onder grote druk te staan. De waarde van het pond was in feite in 1926 op een te hoog niveau vastgesteld. In september 1931 verliet het pond de gouden standaard, waarmee het uiteenvallen van het internationale financiële systeem een feit was.

Nederland doorstond dit alles glorieus en wist zelfs tot 1936 de gouden standaard te handhaven, mede omdat veel van het internationale vluchtkapitaal naar Nederland uitweek en daarmee de positie van de gulden versterkte. Vanaf 1931 verslechterde de economische situatie echter dramatisch: Nederland werd een dure plek om te wonen, werken en ondernemen en de handel met Duitsland kromp sterk ineen. De sterke uitgangssituatie werd nu een probleem. De depressie, die hier later begonnen was, duurde daardoor in Nederland langer dan elders, en de economische patstelling werd pas in 1936 doorbroken. Terwijl in 1930 het nationaal inkomen nog bijna op het niveau van voor de crisis lag, daalde het in 1931 met maar liefst 7 procent, in 1932 nog eens met 3 procent; pas na de devaluatie van 1936 kwam het nationaal inkomen weer terug op het niveau van 1929. De werkloosheid vertoonde een vergelijkbare curve: deze fluctueerde voor de crisis rond 2 procent en begon pas in 1931 op te lopen en bleef tot 1936 geleidelijk doorstijgen tot een piek van 12 procent en lag in 1938 nog steeds op 10 procent.

Zijn er lessen uit deze geschiedenis te trekken? Welke parallellen kunnen geconstateerd worden?

Ten eerste gaat het in beide gevallen om crises van het systeem, die het vertrouwen in bankwezen en financiële instellingen in het algemeen sterk ondermijnden. Beide crises ontstonden in de VS, maar waren in mum van tijd ook elders voelbaar. Dat had in de jaren dertig een verlammende invloed op nationale economieën (vooral van de VS en van Duitsland), en op de internationale economische kapitaalstromen en instellingen. Mede door politieke tegenstellingen – Frankrijk deed er bijvoorbeeld alles aan om de positie van de Duitse mark te verzwakken – kozen overheden al snel voor sterk nationale oplossingen, die ten koste gingen van de buurlanden. Meest symbolisch was de val van het pond in september 1931, aangezien het Verenigd Koninkrijk voorheen de kampioen van de internationale samenwerking was geweest.

Momenteel staat Nederland er opnieuw goed voor. Met een beetje geluk zal deze crisis slechts beperkte sporen in de reële economie achterlaten.

Maar er zijn wel wat systeemrisico’s. Allereerst, de positie van het pond in 1929-1931 doet wel wat denken aan die van de dollar op dit moment, al is het merkwaardige aan de ontwikkelingen de laatste weken dat de dollar juist weer in waarde stijgt, terwijl het pond steeds meer onder druk komt te staan. De mogelijke ineenstorting van de dollar is nu een even populair thema als de overwaardering van het pond toen. Het grote verschil met 1929-1931 is dat nu wel krachtig ingegrepen wordt om het bankwezen overeind te houden en dat dit in toenemende mate internationaal wordt gecoördineerd, al is dit voor de Verenigde Staten minder duidelijk dan voor Europa.

Begin jaren dertig ontbrak het ook vaak aan de wil om samen te werken, omdat de Grote Oorlog van 1914-1918 nog niet verwerkt was en de Vrede van Versailles misschien meer kwaad dan goed had gedaan. De enige parallel in het heden die zich op dit vlak nu aandient is Rusland, waar de relatie gespannen mee is, en waar frustraties over een verloren gegaan imperium (en een gebrek aan erkenning door de westerse wereld) misschien wel even virulent zijn als in Weimar-Duitsland. Laten we hopen dat daarmee de parallel ophoudt.

Gepubliceerd: 20 oktober 2008 , NRC

Jan Luiten van Zanden is hoogleraar Economische Geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht. Hij schreef meerdere boeken over de geschiedenis van Nederland, waaronder ‘Vrouwen en de geboorte van het kapitalisme in West-Europa’ (Boom, 2006).

augustus 20
Nederlandse banken en verzekeraars zijn succesvol in de VS dankzij onze bedrijfscultuur
Dankzij hun Nederlandse achtergrond slagen Nederlandse banken en verzekeraars erin een belangrijke positie op de Amerikaanse markt te veroveren. Ook blijken de Nederlandse bedrijven in de Amerikaanse zakenwereld flexibel in het aanpassen van hun eigen bedrijfsvoering, wat ten goede komt aan hun succes. Dit concludeert historica Gerarda Westerhuis in haar proefschrift. Zij promoveert op 16 april aan de Universiteit Utrecht.
De Nederlandse banken doen het in de Verenigde Staten goed in commercial banking en verzekeringsactiviteiten. Ze zijn echter minder succesvol in investment banking, omdat deze bedrijfscultuur veel minder past bij de Nederlandse manier van zakendoen. De zeer hoge beloningen van investment bankers leiden tot veel interne discussies. Ook is er weinig ervaring bij het management en onderschatten de ondernemingen het belang van complexe risicomanagementsystemen. Uit het onderzoek van Westerhuis blijkt verder dat op de Amerikaanse markt geografisch sprake is van verschillen. De bedrijfscultuur in het middenwesten bijvoorbeeld, waar ABN AMRO expandeerde met haar dochter LaSalle, sluit beter aan bij de Nederlandse gebruiken dan New York. Verder was de Amerikaanse markt van commercial banking tot voor kort versnipperd, terwijl die van investment banking bestond uit een oligopolie van een aantal zeer grote zakenbanken. Het bleek lastig om in die markt voet aan de grond te krijgen.

Manieren van zakendoen combineren
Westerhuis concludeert dat de Nederlandse organisatie van het bedrijfsleven (open economie, ondersteunende rol van de staat, risicomijdend gedrag van ondernemingen, koloniale verleden) een positieve invloed heeft op internationale expansie. Daarnaast is het van belang om in de organisatie en in het management van de Amerikaanse activiteiten kenmerken van de eigen onderneming te combineren met kenmerken van de Amerikaanse manier van zakendoen. Bijvoorbeeld, de Amerikaanse organisatie kreeg met de expansie een relatief grote mate van beslissingsbevoegdheid, maar – vooral in de beginfase van expansie - gecombineerd met toezicht op basis van persoonlijke contacten en vertrouwen. Ook concludeert Westerhuis dat het vinden van de juiste bestuursmethode een leerproces is dat onderhevig is aan veranderingen. Het instellen van een eenhoofdige leiding bijvoorbeeld werd pas erkend nadat bleek dat een tweehoofdige leiding voor conflicten zorgde.

ABN AMRO, Rabobank en Nationale Nederlanden
In haar onderzoek nam Westerhuis drie ondernemingen als uitgangspunt: ABN AMRO, Rabobank en Nationale Nederlanden. In 2006 was ABN AMRO de grootste buitenlandse bank in de Verenigde Staten en ING een van de grootste buitenlandse verzekeraars. Rabobank heeft zich ontwikkeld tot een belangrijke agribusiness bank op de Amerikaanse markt.

Origins and Impacts of Institutions
De Universiteit Utrecht heeft haar toponderzoek gebundeld in vijftien focusgebieden. Met deze focusgebieden wil de Universiteit Utrecht hoogwaardig onderzoek stimuleren en bijdragen aan het oplossen van grote maatschappelijke vraagstukken. Het hierboven beschreven onderzoek valt binnen het focusgebied ‘Origins and Impacts of Institutions’. Hierin wordt onderzoek gedaan naar de historische ontwikkeling van de maatschappij en de instituties vanaf de oudheid tot heden, en naar de invloed die instituties hebben op de sociale en economische ontwikkeling van de westerse, met name Europese, samenleving. Meer informatie is te vinden op www.uu.nl/focusgebieden.

Promotie
Gerarda Westerhuis promoveert op 16 april 2008 om 16.15 uur, in het Academiegebouw, Domplein 29 in Utrecht. Proefschrift: Conquering the American market. ABN AMRO, Rabobank and Nationale-Nederlanden working in a different business environment, 1965-2005. Meer informatie: Peter van der Wilt, persvoorlichting Universiteit Utrecht, (030) 253 3705, p.m.vanderwilt@uu.nl